Boeren verdienen beter dan Jong Groen

Jong Groen!’s problematische boerenaffiche

TL; DR
Jong Groen!’s voorstel is economisch ongeletterd van een niveau dat ik zelden ben tegengekomen. (Als iemand een betere tl;dr heeft, mag hij die altijd voorstellen.) 

Hier te vinden.

Op twitter was ik in gesprek geraakt met een persoon die (of die indruk werd er toch gecreëerd) een deel is van Jong Groen! Die persoon was de ene rare (zeg maar: slechte) redenering na de andere in mijn richting aan het sturen, waarbij heel de tijd verwees naar de opinie van Jong Groen! Nu, omdat die persoon de tijd en de moeite nam om op mij te reageren – en laten we duidelijk zijn: het was niet dat ik me echt vriendelijk opstelde; dat gebeurt immers niet zo snel bij zoveel onzinnigheid – laat ik ook even tijd spenderen aan hun ‘toogfiche’ (is dat tegenwoordig een vakterm die ik gemist heb, of is dat een poging om cool te zijn?) Het grootste probleem is dat het merendeel van hun opmerkingen, vragen, puzzels eenvoudig opgelost kunnen worden als ze daar ook maar 1 iemand hadden die een basiscursus economie heeft gehad. Laat ik duidelijk zijn: ik heb radicale ideeën over wat behoort. Ik heb ook ideeën die buiten de mainstream liggen van economische wetenschap (i.e. ik weet dat het grote merendeel van economen hier niet mee akkoord gaat; maar ik heb een redelijk argument over waarom ik van mening verschil). Echter; veel van de economische redeneringen die ik hier geef, vooronderstelt die zaken. De economische argumenten hieronder zijn volledig in lijn met de mainstream van economische wetenschap, i.e. al deze zaken kunnen gezegd worden door elke persoon die een beetje economisch geschoold is. Het is daarom dat de inhoud van de ‘toogfiche’ zo ongelooflijk problematisch is. Als bonus, bovenop de economie, haal ik nog wat andere zaken aan, om verder aan te geven waarom het pamflet zo problematisch is. 

Wat is er allemaal problematisch? Wel, een hele hoop.

“Landbouwers zijn een onmisbare schakel voor gezonde en betaalbare voeding, toch zijn het net de boeren die onvoldoende inkomen kunnen halen uit hun activiteiten: “

Groen! stelt als een puzzel; maar dat is helemaal geen puzzel. Het eerste probleem is dat ze schrijven over de boeren die onvoldoende inkomen halen. Dat is uiteraard niet het geval, zelfs niet volgens de cijfers die ze zelf geven. Ze zeggen: 15% maakte verlies tussen 2011- en 2013 en nog eens 25% verdiende slechts 5 EUR per uur (meer daarover later.) Dat laat – als ik kan tellen – nog altijd een goede 60% (de meerderheid) van de boeren over die niét in deze ‘te lage’ (volgens de standaarden van Groen!) categorie vallen. Met andere woorden: als Groen! spreekt over ‘de boeren’, dan spreken ze dus over (volgens hun eigen data) een ‘minderheid’ (een grote minderheid, uiteraard) van 40%.

Met gelijkaardige cijfers zou Vlaams Belang misschien zelfs kunnen beweren dat ‘de Marokkanen’ geen hoger diploma halen. (Mocht het cijfer van Marokanen die geen hoger diploma halen op 60% of lager liggen.) Groen! zou – terecht – op de barricaden staan wegens deze veralgemening; dan is het niet netjes om zelf zo’n slechte veralgemening te maken.

Het wordt nog erger.

“Nog eens een kwart had tussen 2011 en 2013 een gemiddeld jaarinkomen van 25.000 euro, of omgerekend 5 euro per uur.”

25 000 EUR jaarinkomen is blijkbaar 5 euro per uur. Dat betekent dus dat ze 5000 uur hebben gewerkt; 5000 uur gewerkt hebben komt neer op een 96 uur werkweek; of gemiddeld 13 uur per dag (maandag-zondag!). Wel; als je 13 uur per dag werkt, en je creëert maar 5 EUR/uur meerwaarde, dan moet je misschien – als je dit te laag vindt – je zaak opdoeken en een andere job zoeken. Dat is hoe het ongeveer, grosso modo, werkt. Als je niet tevreden bent over je loon als zelfstandige; dan betekent het dat je niet genoeg meerwaarde produceert (op dit moment, in de huidige markt) en dan kan je overwegen om de boeken toe te doen. Dit zal er voor zorgen dat QQ daalt, waardoor de vraagprijs voor de overige boeren omhoog gaat.

De twitteraar sprak zelf over ‘overproductie’, i.e. QS is, in verhouding tot QD, zo hoog dat er een heel lage marktprijs ontstaat. Als je dat niet kan volhouden… stop dan met werken in die sector. Er is geen bijkomende vraag voor die producten. Zoek dan ergens anders waar je wel een comparatief voordeel hebt (en dus een hoger loon kan vragen); want in deze sector lukt het blijkbaar niet.

(Dit is allemaal in de vooronderstelling dat de 5 euro per uur klopt.)

Mocht het getal echter een bruto getal zijn (en dus de 5 euro netto); dan zou Groen! ook kunnen ijveren voor een (algemene) belastingsverlaging: dan hou je ook meer over van wat je hebt. Als het blijkt dat ze echt 13 uur * 7 dagen werken voor 25 000 EUR bruto… dan zou ik zeker zeggen: misschien tijd voor een andere baan die meer verdient. Uiteraard is niemand verplicht om een baan te zoeken die meer betaalt, maar als Jong Groen! zo bezorgd is over het loon van die mensen… dan kan Jong Groen! beter aanraden om een andere job te zoeken. Merk op dat 25 000 bruto (voor een normale 40 uur werkweek) neerkomt op 12 EUR/uur bruto. Uiteraard is dat niet bijzonder veel (in horeca is een normaal contract vergelijkbaar.) En als ze 60 uur werken, is het bruto 8 euro per week (nog altijd 60% meer dan 5 euro, overigens). Nog altijd niet bijzonder veel, maar waar ze die 5 euro per uur vandaan halen… is mij vreemd.

“Vandaag zijn er 39% minder bedrijven dan 10 jaar geleden. Als deze trend zich verder zet zijn er ergens tussen 2030 en 2040 geen Vlaamse landbouwers meer. Landbouw wordt een industriële sector in handen van enkele grote bedrijven.”

Hier heb ik ook eens moeten lachen. Blijkbaar zitten dit soort trends zich sowieso door tenzij we nu handelen! Dit is – uiteraard – lariekoek. Het feit dat 4% van de bedrijven (alweer: ik gebruik gewoon de data die Jong Groen! geeft) stopt, zeker in een sector (ook hun analyse) met ‘overproductie’, waar de huidige lonen zo laag zijn… betekent helemaal niet dat die trend zich sowieso doorzet. Uiteraard niet. QS is hoog relatief ten aanzien van QD. Sommige stoppen, zorgt voor (geleidelijke) daling van QS, waardoor de prijs op een nieuw equilibrium kan komen. Deze trend zal zich niet sowieso doorzetten: het is gewoon aanpassing aan nieuw equilibrium. (Uiteraard zou er niets erg zijn met het feit dat alle landbouwbedrijven stoppen; dat zou betekenen dat Vlaanderen geen comparatief voordeel heeft in het creëren van voedsel, maar andere plekken in de wereld. Dan zouden deze boeren zich kunnen specialiseren in andere zaken, en kunnen ze zo verder hun comparatief voordeel zoeken. En dan hogere lonen krijgen, zonder te moeten bedelen bij de politiek.)

Doorheen de hele redenering vooronderstelt  (of zo lijkt het toch) Jong Groen! alsof een landbouwer een soort van recht heeft op landbouwen, waardoor we zijn inkomen moeten garanderen (ten koste van anderen). De relevante opmerking is uiteraard: hoe conservatief kan je zijn? Als andere regionen in de wereld een comparatief voordeel hebben in landbouw, waarom zouden we ‘hier’ (in deze, arbitrair afgelijnde zone genaamd België of Vlaanderen) per se landbouw moeten behouden? (Overigens: ik denk niet dat het zo’n vaart zal lopen, maar zelfs in het Jong Groen! worst case scenario moeten we ons afvragen: en waarom juist zou dat zo slecht zijn als 1 bepaalde ondernemingtak volledig verdwijnt ten voordele van andere productieve takken waar we wél een comparatief voordeel in hebben?)

Comparatieve voordelen en arbeidsdeling is niet alleen binnen dezelfde sector, maar ook tussen sectoren. Als de marginale toevoeging van X in een bepaalde sector zo laag is dat hij maar een heel laag loon heeft (‘5 euro per uur, in een land zoals België’’) is er waarschijnlijk een groter loon in een andere sector. Uiteraard zal dit betekenen dat hij een andere job zal moeten zoeken, zijn bedrijf verkopen (waardoor een andere boer het eventueel kan komen en dalende marginale kosten kan hebben) en veranderen. Er is immers geen Godgegeven recht op ‘een boer zijn’. Het is een beroep zoals elk ander, en als jouw toevoeging niet zo groot is… is het heus niet zo raar dat je misschien moet stoppen en iets anders zoeken.

Dus (1) de trend van 39% minder bedrijven zal zich waarschijnlijk niet verder zetten en (2) als hij zich verder zet… is dat dan zo erg? We hebben waarschijnlijk ook geen (groot) comparatief voordeel meer in de autosector. Is dat zo problematisch dat we over de tijd heen die sectoren verlaten en andere sectoren specialiseren?

Uiteraard is dit lastig voor de mensen die in die sectoren zitten: die verliezen hun job, die moeten veranderen, etc. Dat is niet leuk. Dat is lastig. Dat erken ik allemaal. Maar het feit dat het ‘lastig’ is, is geen argument om dan maar sectoren te blijven subsidiëren om mensen af te schermen van deze veranderingen. Deze veranderingen zijn – wat we met een technische term noemen – Kaldor-Hicks efficiënt. We laten toe dat deze ‘kosten’ gedragen worden door sommigen en we kunnen ‘als samenleving’ (via de staat) eventueel die kosten verlagen door werkloosheidsuitkeringen, werktrajecten, etc. (dit is geen tekst over hoe slecht/goed deze zaken zijn) omdat het beter is dat we deze veranderingen toelaten, dan dat we een samenleving zouden hebben waar niemand ooit zijn job kan verliezen, van job zou moeten veranderen, etc. (Dat is letterlijk de ultieme droom van de (domme) conservatief: geen verandering meer.)

Er wordt ook heel onheilspellend gebabbeld over ‘landbouw wordt een industriële sector van enkele grote bedrijven’, waarbij de relevante opmerking dan is: en dan? (Maar daar komen we sebiet op terug.) Want blijkbaar geven ze – niet zo’n denderende goede – redenen waarom we daar bang van moeten zijn. Ik ga gokken dat dit goed werkt bij de ‘normale’ groene achterban: oh, nee, grote bedrijven! Maar dit soort bankmakerij moeten we ten stelligste afwijzen. Maar daarover sebiet meer.

“Terwijl het aantal boerenbedrijven daalt, worden de resterende bedrijven gedwongen om te groeien en te specialiseren om zo hun inkomen veilig te stellen en de kostprijs te drukken: de gemiddelde bedrijfsoppervlakte steeg tussen 2004 en 2013 van 18 ha naar 25 ha (28%). Ook in de veehouderij zien we diezelfde schaalvergroting: het aantal varkens per bedrijf nam in diezelfde periode toe van 1.300 varkens tot 1.900 varkens (30%). Om die schaalvergroting te realiseren hebben veel boeren dure en risicovolle miljoenenleningen afgesloten. “

Ok, dit zijn leuke feiten (alweer: ik ga er gewoon vanuit dat alle feiten – die Jong Groen! ons zonder enige bronvermelding geeft – waar zijn. Niets van wat ik zeg vooronderstelt een meningsverschil over de data die ze geven), en de relevante vraag is alweer: en dan?

Blijkbaar is er veel concurrentie en moeten ze hun marginale kosten drukken. Dat is positief voor de consument. Indien een bedrijf wenst te overleven, moet hun marginale opbrengst (redelijk systematisch) hoger zijn dan hun marginale kost. Indien ze marginale kosten kunnen drukken, kunnen ze ook hun overleven met lagere prijzen (wat, door de concurrentie van de internationale markten wel ‘moeten’; ze moeten lagere prijzen vragen.) Dit is, met andere woorden, het marktmechanisme dat zijn werk doet. Immers: het basisargument voor een marktsamenleving (we hebben het hier niet over een libertaire marktsamenleving, maar gewoon over: een gemengde markteconomie, met herverdeling en wat regulering) is dat markten goede mechanismen zijn om kosten te laten dalen, door het competitieve proces. Dus als Jong Groen! dit betreurt, betreuren ze in essentie: er wordt meer welvaart geproduceerd met minder middelen, waardoor de reëele prijzen die we betalen lager zijn. Waar is het probleem?

Is het robleem dat ze ‘dure en risicvolle’ leningen moesten afsluiten? Wel… moeten we dan tegen risico zijn? Moeten we dan tegen het feit zijn dat mensen leningen afsluiten? Merk op dat niemand hen dwingt om die risicovolle leningen af te sluiten: die zijn het gevolg van de beslissingen die ze maken. Stel u voor zeg; ondernemers moeten risico’s aangaan, wat een schandalige samenleving is het toch!


Het is nog niet gedaan!

“De trend naar minder, maar grotere en meer gespecialiseerde landbouwbedrijven zorgt ook voor een sterke daling in de tewerkstelling in de landbouwsector. In de afgelopen tien jaar daalde de tewerkstelling van 70.000 personen (of zo’n 51.000 voltijdse jobs) naar 51.000 personen (of zo’n 41.000 voltijdse jobs). Dat is een daling met 23%. “

Dit wordt ook vermeld, maar de conclusie wordt aan de lezer overgelaten. Ik vermoed (maar het staat er niet letterlijk, dus het zou kunnen dat het niet zeker is) dat ze dit negatief vinden, maar de vraag is alweer: waarom?

Wat weten we ondertussen al? We weten dat er ‘overproductie’ is. (Er is een relatief groter QS ten aanzien van QD, waardoor er een lagere prijs is.) Met andere woorden: er is dus een grotere stijging van de productie (al dan niet in België), met lagere prijzen (voor de consument!) tot gevolg, met minder werkers in België: waarom is dit juist negatief?

Hier moeten we een heel belangrijke drogreden – en vaak gemaakte fout door economische leken – uitleggen. Op individueel niveau is een job nuttig: immers: het zorgt voor een inkomen, want iemand wilt u een loon uitbetalen. U ruilt uw arbeidskracht (waarvan de toegevoegde waarde door de ondernemer/consument wordt bepaald) voor een loon. Maar voor de samenleving als geheel, is het niet nuttig om meer jobs te creëren, sine qua non. (Jobs creëren is immers eenvoudig: laat de helft van iedereen die geen job heeft putten opvullen, en laat de andere helft de putten opvullen: iedereen een job!) Het moeilijke is: welvaart produceren, waarbij je middelen gebruikt (arbeid, kapitaal, en grondstoffen). Een ‘job’ is een bijproduct van welvaart te (proberen te) creëren, maar is nooit een ‘doel’ op zich voor een economisch systeem.

Dus: het is helemaal niet zo problematisch dat er jobs verdwijnen uit een sector. Dat betekent dat die sector (in die locatie) niet zo’n comparatief voordeel heeft in die sector (of, anders gezegd, dat die gedaald is ten opzichte van vroeger). Dat is ok. Dat is niet erg. (Dat is ook niet per se positief. Het is een open-ended proces: veranderingen gebeuren, en zolang ‘de regels van het spel’ goed zijn, maakt de specifieke uitkomst, de specifieke verdeling van jobs, niet zoveel uit.

Kort gezegd: neen, het is niet jammer dat er jobs verdwijnen in een specifieke sector, als die sector wordt weggeconcurreerd door andere bedrijven (in andere landen) die daar een comparatief voordeel in hebben.

“Een toekomst als landbouwer blijkt ook steeds minder aantrekkelijk voor jongeren en starters. De afgelopen tien jaar is de gemiddelde leeftijd gestegen van 48 jaar tot 52 jaar (bijna 14.000 bedrijfshoofden zijn ouder dan 50 jaar). Bovendien heeft slechts 13% van de landbouwbedrijven met een bedrijfshouder ouder dan 50 jaar een opvolger. Deze vergrijzingstrend zorgt ervoor dat de toekomst van deze sector zeer onzeker wordt. “

Hoe zo: ‘de toekomst van deze sector wordt zeer onzeker’? Misschien bedoelen ze: de toekomst van deze sector in Vlaanderen met de ‘oude’ hoeveelheid bedrijven en de huidige hoeveelheid werknemers en boeren wordt onzeker. Maar als je het zo formuleert wordt het duidelijk dat je (alweer) de vraag moet stellen: en dan? (Jong Groen! is, zo blijkt specialist in het trachten te creëren van ‘oh, nee!’-emoties, waarbij je gewoon moet vragen: ‘ja, maar en dan? Da’s toch niet zo’n probleem om reden X, Y en Z?’)

Op basis van de gegevens die Jong Groen! mij verschaft, lijkt het alsof de huidige (oude) productievormen van landbouwers in Vlaanderen niet zo efficiënt was (hoge, relatieve kosten ten opzichte van het buitenland), waardoor ze efficiënter moeten produceren om concurrentieel te blijven. Dat is positief: lagere kosten, lagere prijzen, hoera, meer welvaart voor de consument!

Stel u eens even voor dat we in een samenleving zouden leven waar niet ‘de consument’ centraal staat in de beslissingen van wat er geproduceerd wordt, maar ‘de producent’, i.e. dat de producent niet dient om de consument te dienen, maar omgekeerd: mensen moeten consumeren wat producenten maar produceren. (Probeer dat even in te beelden.) Dat soort wereld is wat Jong Groen!, allesinds in de landbouwsector, lijkt naar voren te schuiven. Dat is… niet zo positief.

“De essentie van de problemen die de landbouwsector vandaag boven het hoofd hangen zit in de slechte prijsvorming, die het gevolg is van massaproductie bestemd voor de export en de supermarkten. De combinatie van hoge arbeidskosten, hoge grondprijzen en variabele kosten (sterke afhankelijkheid van het weer en externe grondstoffen zoals fossiele brandstoffen, soja-import, …), samen met relatief strenge(re) milieuvereisten maakt dat onze boeren niet competitief zijn op de anonieme wereldmarkt.”

De slechte prijszetting gecombineerd met de hoge productiekosten dwingen landbouwers om hun product met verlies te verkopen, waardoor ze de zware afbetalingsschema’s niet kunnen inlossen. Finaal raken ze het bedrijf waar ze jarenlang in geïnvesteerd hebben kwijt. Het landbouwbeleid van de Vlaamse regering, grotendeels op export gericht, zorgt voor een kille koude sanering in de kleinere, grondgebonden en familiale bedrijven. “

Hier komen we bij de kern van het ‘economische’ argument. Ok, het probleem is dus: slechte prijsvorming die het gevolg is van ‘massaproductie’ voor export en supermarkten. Euh, wat is dan ‘goede’ prijsvorming? Minimale productie en niet voor supermarkten? Enfin, die onduidelijkheid laten we nog even passeren.

In de Vlaamse landbouwsector zijn er ‘hoge arbeidskosten’ (Jong Groen! voorstander van verlaging belastingen op arbeid?), ‘hoge grondprijzen’, ‘variabele kosten’ en ‘relatief strenge(re) milieuvereisen’.

Hoge arbeidskosten, in Vlaanderen, komt deels door de hoge belastingen op arbeid (en de hoge gereguleerde lonen.) Maar zelfs daarbuiten: we zijn een welvarende samenleving. Dit betekent dat er veel opportuniteiten zijn voor arbeid. Indien je dus arbeid wilt – een schaars goed – moet je de prijs betalen om mensen te overtuigen om voor jou te werken. Maar andere ondernemers willen ook arbeidskracht. De uiteindelijke prijs die betaalt wordt, is het gevolg van de inschatting van de respectievelijke ondernemers over hoeveel dat die arbeider gaat opbrengen. Indien dat er ‘hoge arbeidskosten’ zijn is dat deels het gevolg (deels door de overheidsingrepen; zie hierboven) dat andere ondernemers menen dat ze die arbeid ook kunnen gebruiken. Met andere woorden: als de lonen ‘te hoog’ liggen voor jou om te betalen, dan moet je (alweer) misschien een andere onderneming oprichten want binnen de omgeving waar je nu produceert, lijkt het niet alsof je echt concurrentieel kan zijn.

Hoge grondprijzen betekent exact hetzelfde, maar dan toegepast op grond: de grond is blijkbaar in hoge vraag voor andere doeleinden. Als andere ondernemers bereid zijn daar een hogere prijs voor te betalen, wel… dan betekent het dat zij inschatten dat ze die grond kunnen gebruiken voor meer toegevoegde waarde. (Net zoals bij arbeid: als anderen bereid zijn meer te betalen voor arbeid, schatten zij in dat ze die arbeid kunnen gebruiken voor meer toegevoegde waarde.) De vraag is dus alweer: wat is daar erg aan? Ik snap dat dit problematisch is voor de individuele boer – ‘oei, het is duur!’ – maar dat functioneert als signaal: ‘hey (zegt de grond), ik ben een schaars goed! als je  mij wilt gebruiken, dan liefst voor iets dat het meeste welvaart creëert. En wie zal bereid zijn het meeste te betalen? Hij die denkt dat hij het meeste winst (toegevoegde waarde) zal kunnen creëren met mij’. Alweer: is dit erg?

(Kleine caveat: in België is ‘landbouwgrond’ relatief streng gereguleerd en, zover ik weet (maar geen expert) een pak goedkoper dan bouwgrond. Dus het is hier ook een beetje vreemd wat ze bedoelen met ‘dure grond’. Bedoelen ze dan: ‘er zijn andere boeren die meer wensen te betalen?’ Want dan zitten ze gewoon te klagen over de concurrentie binnen de landbouwsector. Is dat dan problematisch?)

Variabele kosten… Wel: elke sector heeft ‘variabele’ kosten. De landbouwers waar ‘onze’ boeren meer concurreren, hebben (uiteraard) ook variabele kosten. Moeten we nu al bezorgd zijn omdat bepaalde ondernemers variabele kosten hebben? Indien je ondernemer wordt – en een boer is daar geen uitzondering op – dan loop je risico’s. Een daarvan is: ‘variabele kosten’. Als je niet goed bent, in die in te schatten, dan ben je niet zo’n goede ondernemer, uiteraard.

Interessant is het ook om te weten dat groterondernemingen doorgaans beter in staat zijn om aan risicospreiding te doen. (Niet altijd, maar doorgaans.) Immers: zij kunnen hun portfolio diversifiëren en kunnen (bijvoorbeeld voor fossiele brandstoffen) grotere aankopen doen, waardoor de kostprijs per eenheid lager ligt. Dus dit probleem – waar Jong Groen! zich zo’n zorgen over maakt – is lager bij grotere landbouwbedrijven, maar daar zijn ze tegen! (We komen nog terug op waarom het zo ongelooflijk raar is dat ze daar zo tegen zijn.)

Soit; ‘de relatief strengere milieu-eisen’… Wel; welvarende samenlevingen hebben een grotere ‘vraag’ naar strengere milieu-eisen, die doorgaans vertaald worden via politieke eisen/wettelijke reguleringen. Niet dat ik daar per se voorstander van ben dat het op deze manier gebeurt (ik ben eerder voorstander om milieu-zaken te laten regelen via tort-law), maar ik kan me moeilijk van de indruk ontdoen dat het nota bene Jong Groen! is dat hier half en half een argument zit te maken om de milieu-eisen voor boeren te laten dalen? Immers: waarom het anders vermelden?

Het is nogal evident dat als je tegen een onderneming zegt: ‘je mag minder externe kosten veroorzaken’ (want ‘milieu-wetgeving’ doorgaans is), dat ze dan verhoogde kosten hebben en minder goed kunnen concurreren met anderen die die verhoogde kosten niet hebben. Dus wat willen ze hiermee bereiken? Afschaffen milieu-eisen?

Een laatste probleem met deze paragraaf is de volgende: ‘de anonieme wereldmarkt’. Hier wilt Jong Groen! alweer de indruk creëren dat we het hier over een soort van duistere krachten hebben. ‘Anonieme wereldmarkten’; begin je al bang te krijgen? Maar het is niet omdat je die mensen niet kent, dat ze daarom’ anoniem’ zijn. Het zijn gewoon buitenlanders die hier proberen hun goederen te verkopen. Het zou kunnen dat, en het is zelfs goed mogelijk dat, het hier gaat over grote, buitenlandse bedrijven, waar (uiteraard) een heleboel buitenlandse werknemers werken. Op twitter heb ik naar deze paragraaf verwezen als een ranzig nationalisme dat we doorgaans alleen bij VB (en soms NVA) vinden, en daar blijf ik achter staan. Hier wordt gedaan alsof zaken uit het buitenland verdacht zijn, want ‘anoniem’, wat niet meer is dan een ordinair ‘buitenlandse dingen zijn slechter’-sentiment. Shame on you, Jong Groen!, om dat soort insinuaties te willen creëren.

Het enige wat deze paragraaf aantoont – om terug op de basiseconomie te komen – is het volgende: (veel) van ‘onze’ boeren hebben het moeilijk te concurreren want ze hebben hogere kosten, doordat de schaarse middelen (land, arbeid, milieu) dat ze willen gebruiken, hier een hogere vraag heeft van andere producenten/consumenten (dus voor andere doeleinden ook gevraagd heeft). Ja, dat is heel spijtig. Maar dat proberen tegen te houden of veranderen – wat, in essentie, de kern is van het betoog van Jong Groen! – is welvaartsreducerend. Samenlevingen, industrieën veranderen. Gelukkig maar. (Stel u voor dat Jong Groen! actief was begin de 19de eeuw en toen ‘de boeren’ gingen beschermen toen we langzaam maar zeker van 80-90% van de bevolking actief in landbouw naar de huidige 3% gingen.)

De slechte prijszetting gecombineerd met de hoge productiekosten dwingen landbouwers om hun product met verlies te verkopen, waardoor ze de zware afbetalingsschema’s niet kunnen inlossen. Finaal raken ze het bedrijf waar ze jarenlang in geïnvesteerd hebben kwijt. Het landbouwbeleid van de Vlaamse regering, grotendeels op export gericht, zorgt voor een kille koude sanering in de kleinere, grondgebonden en familiale bedrijven.

Merk op dat de claim ‘slechte prijszetting’ nog altijd niet echt is ingevuld of gedefinieerd. Zover ze hebben uitgelegd, is het helemaal geen slechte prijszetting, integendeel. De prijszetting – het gevolg van vraag en aanbod – lijkt te kloppen. Er is internationale concurrentie, waardoor ze hun prijzen ook moeten verlagen. Deze prijzen zorgen dat (een deel) niet meer winstgevend is, en dus ‘weggeconcurreerd’ worden.

Even voor de duidelijkheid. Als je als onderneming geen winst maakt (maar verlies) dan betekent dit dat de waarde van je inputs hoger is dan de waarde van je outputs. Anders gezegd: je neemt (bijvoorbeeld) iets van waarde 100. Je doet er vanalles mee. En dan is de waarde 90. Dit is een sociaal verlies: je hebt waarde vernietigd. Als je dus waarde vernietigd – de waarde van je inputs zijn hoger dan die van je outputs – dan maak je persoonlijk verlies. Derhalve is er een incentive om dit te stoppen; anders ga je persoonlijk verlies blijven maken.

Neen, verhaaltjes over ‘ja, maar sommige cliënten appreciëren wat ik doe’ of ‘vroeger maakte ik winst!’ doen daarbij niets ter zake. Samenlevingen veranderen. Vroeger waren typemachines ook een heel succesvolle industrie; nu niet meer. Het is jammer als individuen geconfronteerd worden met de vaststelling dat hun onderneming geen winstgevende onderneming (meer) is. Dat suckt. Je onderneming verliezen, je werk verliezen, je inkomen verliezen, etc. is nooit leuk. Maar dat is geen argument om dat te voorkomen; dan ben je letterlijk het samenlevingssignaal van ‘hey, je vernietigt welvaart!’ aan het negeren. (Het is simpelweg niet slim om dan te zeggen – waar het voorstel van Jong Groen! op neerkomt – ‘je mag welvaart blijven vernietigen’.)

Ok, we hebben dus ondernemers die investeringen hebben gemaakt. Met die investeringen kunnen ze blijkbaar niet genoeg welvaart creëren, want ‘ze verkopen nu met verlies’. Wel; dan is de waarde van hun inputs lager dan de waarde van hun outputs, i.e. ze hebben welvaart vernietigd. Mijn suggestie: stop daarmee en ga iets anders doen.

Voor alle duidelijkheid: het is niet omdat je tijdelijk verlies maakt, dat dit niet morgen weer winst kan opbrengen. In horeca bijvoorbeeld kan het perfect zijn dat je op bepaalde dagen ‘verlies’ maakt, maar dat je op jaarbasis gewoon een succesvolle onderneming hebt. De relevante tijdsspanne waarover je winst probeert te maken, is anders voor verschillende ondernemingen. Maar als je duurzaam verlies maakt – zoals Jong Groen! zegt dat die landbouwers doen – dan is het misschien tijd iets anders te doen.

Goed; ‘het landbouwbeleid (…) zorgt voor een kille koude sanering in de kleinere, grondgebonden en familiale bedrijven.’. Ik ga er (alweer) vanuit dat we dit erg moeten vinden. (Je gebruikt doorgaans niet woorden zoals ‘kille, koude sanering’ zonder de mood te creëren hoe oh-zo-erg dit is.) Maar alweer: die ‘kleinere, grondgebonden en familiale bedrijven’ zijn blijkbaar niet winstgevend, in tegendeel: ze maken (zwaar) verlies. Moet dat dan sine qua non ‘gered’ worden? Als Jong Groen! hun eigen middelen willen gebruiken om die ondernemingen te redden, mag dat uiteraard. Maar eisen dat anderen daar ook voor opdraaien, da’s toch wel een beetje grof, niet waar?

Lang verhaal kort: concurrentie is niet leuk, maar concurrentie is beter dan afscherming van concurrentie.

Enkele voorbeelden van slechte prijsvorming

Melk

Productiekost: 0,30 euro/liter
Verkoopprijs voor boer : 0,29 euro/l
Verkoopprijs in winkel: 0,93 euro/l
Winst voor de boer: 1 cent verlies per liter melk
(Gelijkaardige zaken worden voorgesteld voor eieren, appels en bloemkool; maar de fout is overal hetzelfde.) 

Hier heb ik ook hartelijk mee moeten lachen. Dit is letterlijk een deel van mijn cursus, waar ik uitleg waarom dit soort redeneringen fout zijn. De fout die hier gemaakt wordt, is het verschil tussen sunk costs en marginale kosten. Laat ik hetzelfde verhaaltje gebruiken dat ik gebruik in de les om dit uit te leggen.

Marie is eigenares van een kleine supermarkt. Ze koopt 200 kilo banen aan 2 euro de kilo op zondag. Ze zet die te koop voor 3 euro de kilo op maandag. Tegen woensdag heeft ze nog altijd 100 kilo over. (Maar de banen beginnen al beetje bruin te worden.) Op woensdag verlaagt ze de prijs naar 1 euro de kilo. De vraag is nu: verkoopt Marie de banen ‘onder haart kostprijs’?

Uiteraard is het correcte antwoord: ‘neen, Marie verkoopt haar banen niet onder de kostprijs’. Immers de 2/kilo is een sunk cost. Dit geld kan ze niet recupereren. Op het moment dat ze de banen verkoopt is de enige relevante kost: de kost geassocieerd met de bananen nog verder op te slaan. (Dit is zowel: (1) stockage ruimte als (2) het feit dat als je ze niet verkoopt, je 0 euro de kilo krijgt. Als je ze verkoopt aan 1 euro de kilo, krijg je ten minste nog die euro de kilo!)

Terug naar de cijfers van Jong Groen! Wat is er mis met deze cijfers? Ten eerste: we moeten deze cijfers gewoon aanvaarden van Jong Groen! (bronvermeldingen voor gegeven cijfers? AMMEHOELA!) Indien dit echt ‘de’ cijfers zijn voor ‘alle ondernemingen’, dan zouden we hier overigens een hele rare markt hebben, waar alle gemiddelde kosten gelijk zijn per geproduceerde eenheid. Wie had dat gedacht zeg! (Met andere woorden: dat is heel onrealistisch, en vrijwel onmogelijk.)

Maar zelfs als we die aanvaarden, dan weten we dat die cijfers niet kloppen. De productiekost moet de fout maken om de sunk costs te incorporeren. Indien ze immers een marginaal verlies zouden maken van het te verkopen (anders gezegd: als het *letterlijk* duurder zou zijn voor hen om te verkopen dan om het niet te verkopen) dan zouden ze het helemaal niet verkopen. Dat is echter niet het geval: het is nog altijd beter voor die boeren om te verkopen dan om niet te verkopen.

Een succesvolle onderneming zorgt ervoor dat ze haar prijzen zodanig kan zeggen dat indien ze haar totale revenue min haar totale kost doet, ze nog steeds winst maakt. Als ze daar niet in slaagt, dan… zie boven over waarde inputs en outputs.

We weten echter dat dit niet het volledige verhaal kan zijn. Immers, zoals al aangegeven door Jong Groen! Slechts 15% van de boeren maakte verlies en slechts 25% verdiende ‘5 euro per uur’. Dat houdt nog steeds 60% over die waarschijnlijk niet dit soort grote problemen hebben. Maar zelfs als alle boeren in Vlaanderen dit soort problemen hadden – alweer: gebaseerd op de cijfers van Jong Groen! is dat helemaal niet zo – dan zouden die cijfers nog niet kloppen, want de ‘internationale, anonieme markten’ (lees: de buitenlanders die hier hun producten proberen te verkopen, en wat Jong Groen! probeerde verdacht te maken) zullen niet zo’n cijfers hebben. Ergens zullen er wel landbouwbedrijven (grote of kleine) zijn die winst maken door hier aan zo’n lage prijzen te verkopen. Het is gewoon: door allerlei omstandigheden, kunnen (sommige! van) onze boeren daar niet mee concurreren. Het zij dan zo.

Anders dan ‘slechte prijsvorming’ is dit gewoon ‘goede prijsvorming’.

Een ander probleem dat Jong Groen! hier doet (en waar ze later nog op terug komen) is de insinuatie dat supermarkten grote winsten maken. 0,29 euro/l betalen en 0,93 euro/l vragen? Wat? Dat is 0,64 euro/liter ‘winst’! Ze zeggen het niet letterlijk zo, maar een beetje verder in de tekst praten ze over de ‘hoge’ winsten van supermarkten. Dit is uiteraard niet zo: supermarkten zijn ondernemingen met enorm lage winstmarges. Rond de 3 a 4%. (Uiteraard: niet zo laag als sommige boeren, zo blijkt.) De reden is eenvoudig: de concurrentieslag bij supermarkten is vrij hard. Supermarkten worden zelfs gebruikt als (bijna) een typevoorbeeld van vrij concurrentiële markten waarbij de winstmarges laag liggen. Gewoon zeggen ‘dit is hun aankoop prijs en dit is hun verkoopprijs’ zegt heel weinig over winstmarges; want aankoop-en-verkoopprijs is niet het enige dat telt. (Je verkoopt niet alles, je hebt extra kosten, etc.) Als supermarkten niet veel meer betalen, is het (deels) omdat consumenten hen heel weinig ruimte geven om meer te betalen: de concurrentieslag is daar vrij hard. Alweer: ik zeg dit niet om medelijden om te wekken voor supermarkten: net zoals boeren moeten ze de consument dienen en als ze verlies maken, is het aan te raden om op te doeken. Maar de tegenstelling dat Jong Groen! insinueert tussen de hoge winsten van supermarkten en de lage winsten van boeren is er gewoon niet: supermarkten maken geen hoge winsten.

Jong Groen wil dat landbouw meer is dan de zoveelste sector in de WTO, waardoor het gebonden is aan de harde economische wetten van vraag en aanbod. Deze dynamiek zorgt immers voor een doorgedreven winstlogica die vele landbouwers én het leefmilieu in de verdrukking duwt.

En de problematische zaken gaan maar door. Ok, laten we even de buzzwords (goed voor de eigen achterban, minder overtuigend voor de intelligente medemens) van ‘WTO’ en ‘harde economische wetten’ negeren. Alhoewel… Is het nu echt zo ‘hard’ dat, om winst te maken, je dingen moet produceren waar mensen meer voor willen betalen dan de waarde van de inputs? We hebben een term voor als de waarde van de inputs hoger is dan de waarde van de outputs: consumeren. Als ik voedsel eet, is de waarde van de inputs (de prijs van het voedsel) hoger dan de waarde van de outputs (als het weer uit mijn lichaam komt). Als ik een spelletje speel is de waarde van inputs (mijn potentiële arbeidstijd) hoger dan de waarde van de outputs (hoeveel mensen willen betalen om mij spelletjes te zien spelen.) Dat moet mogen. Uiteraard mogen mensen ‘waarde’ consumeren. We produceren om genoeg welvaart te hebben om te kunnen consumeren. Maar de vraag is: moeten mensen structureel steun krijgen voor ‘hun’ onderneming als dat het equivalent is van consumptie?

De ‘winstlogica’ waar Jong Groen! zo afwijzend over doet, is niet meer dan: ‘zorg dat de waarde van je outputs hoger is dan de waarde van je inputs’. Is dat nu echt zo verschrikkelijk? Alweer: we kunnen debatten hebben over (1) herverdeling, (2) regulering, (3) externaliteiten, etc. Daar zijn allemaal legitieme debatten over, ook binnen economie. Maar het essentiële principe; dat als je probeert een onderneming te runnen, dat je dan zorgt dat wat je aankoopt als input in waarde lager is dan de waarde van je outputs… is niet zo raar. Nog anders gezegd: de vraag is: zorg ervoor dat wat jij doet, toegevoegde waarde heeft waar mensen bereid zijn geld voor te geven. Alweer: is dat zo raar? (Alweer: als je denkt dat er positieve externaliteiten zijn, kan je dat op verschillende manieren aanpakken. Maar het basisidee… neen, pakt dat we dat niet moeten verlaten.)

Het is waar dat ‘een concurrentieel milieu’ niet altijd even aangenaam is voor mensen. (Het omgekeerde – een wereld zonder enige vorm van concurrentie is waarschijnlijk nog veel problematischer.) Maar of dat we dit nu al direct ‘verdrukking’ moeten noemen… ‘Creëer waarde met je onderneming of je gaat failliet’ is nu niet direct ‘verdrukking’ denk ik.)

Een ander problematisch buzzword is ‘leefmilieu’ in de verdrukking. Het is ook een beetje inconsistent met wat ze hiervoor hebben gezegd: enerzijds zeggen ze dat landbouwers moeilijker concurreren omdat er strenge milieunormen zijn. (Ik denk dan: hoera voor de ecologisten! Strenge milieunormen! Bescherming milieu!) Maar nu zorgt ‘de winstlogica’ er ineens voor dat het leefmilieu wel onder druk komt? Hoe zit het nu?

Hier is een gematigd voorstel: zorg ervoor dat er goede, duidelijke milieuwetgeving is, waarbinnen boeren kunnen produceren, zodanig dat het milieu niet onder druk komt te staan. Maar als blijkt dat (o.a.) door die regulering (sommige) boeren hier niet productief kunnen zijn… dan is dat jammer, maar niet iets waar we ons heel veel van moeten aantrekken. We kunnen niet iedereen beschermen van de gevolgen van veranderingen. Dat gaat niet en da’s ook niet wenselijk. We kunnen enkel proberen transities aanvaardbaar te maken.

Jong Groen streeft naar een landbouwmodel dat niet alleen gericht is op een leefbaar inkomen voor de landbouwer, maar even goed op een leefbare leefomgeving voor mens en dier. Het is onze overtuiging dat, mits goede afspraken, de landbouwer een van de best geplaatste personen is om aan duurzaam landschapsbeheer te doen.

Hier moeten we even terug koppelen naar de informatie die Jong Groen! al allemaal heeft gezegd. Ze erkennen zelf dat de huidige ‘druk’ zorgt voor minder landbouwbedrijven, die wel groter zijn. Ze hebben de evolutie geschetst dat tegen 2040 er geen landbouwers meer zouden zijn, maar er is al uitgelegd geweest waarom die extrapolatie wrslk niet waar is. Wat wel waar is, is dat er wrslk minder en grotere landbouwbedrijven zijn (en evolutie ook geschetst door Jong Groen!). De vraag is dus: ok, ze menen dat ‘de landbouwer een van de best geplaatste personen is om aan duurzaam landschapsbeheer te doen. (Het is, alweer, onduidelijk op basis van welke studies deze conclusie is getrokken. Ik ben echter verre van een expert op dat vlak, dus ik zal, for the sake of argument, gewoon aanvaarden dat Jong Groen! hier gewoon gelijk in heeft.) Daarmee is echter nog niet gezegd dat dit per se moet door die 15% verlieslatende bedrijven en de 25% ‘5 euro per uur’ bedrijven in leven te houden. Als die nu eens opgeslorpt werden door de overige 60%, dan hebben we minder landbouwers, maar die ‘minder bedrijven’, kunnen toch nog altijd aan duurzaam landschapsbeheer doen? Daarvoor moet je toch die overige 40% (die, blijkbaar, problemen hebben) niet per se voor bijhouden als aparte entiteiten?

Ik durf overigens er geld op te zetten dat ze bedoelen ‘mits goede afspraken’, simpelweg: ‘wettelijke regulering’. Waarschijnlijk andere wettelijke regulering dan de ‘strenge milieuwetgeving’ waar ze hiervoor aan het klagen waren, maar desalniettemin: milieuwetgeving. Maar los daarvan: dat kan ook aan minder bedrijven die gemiddeld groter zijn.

Overigens: reguleringen hebben doorgaans (ook niet per se altijd, maar in dit soort gevallen wel) het effect dat de overgebleven bedrijven gemiddeld groter zijn. Grotere bedrijven hebben het eenvoudiger om milieuwetgevingen in hun kosten ‘op te slorpen’ dan kleinere bedrijven. Het zou me verbazen dat Jong Groen! met ‘goede afspraken’ kan komen die niet dit effect zal hebben, maar ze mogen het altijd proberen. Maar dan zouden ze eens concreet moeten gaan over wat ze nu allemaal eisen. Misschien is dat wat te veel gevraagd.

Jong Groen stelt vast dat landbouwprojecten een verbindend effect kunnen hebben op gemeenschappen en hen dichter in contact brengt met de natuur en elkaar. Door voedselproductie en de consument dichter bij elkaar te brengen groeit het bewustzijn van de individuele burger dat voedsel geen wegwerpproduct is en dus een eerlijke prijs verdient.

Ook dit: dit kan ook op gemiddeld grotere landbouwbedrijven. Of dat het zo is dat je ‘gemeenschappen dichter in contact kan brengen met de natuur’ lijkt me… een betwijfelbare hypothese, maar goed. Ze mogen dat beweren.

Wat wel interessant is, is het idee ‘het bewustzijn groeien bij de individuele burger dat voedsel geen wegwerpproduct is en dus een eerlijke prijs’. Hier doen ze (alweer) dat de huidige prijs ‘niet eerlijk’ is. Maar wat zou er niet ‘eerlijk’ zijn aan de huidige prijs? Het is een prijs waarbij 15% (40%) van de huidige boeren in Vlaanderen problemen ondervinden. Ok, maar de overige 60% in Vlaanderen heeft daar blijkbaar geen last van (of toch niet zo’n last dat Jong Groen! het moet vermelden) en, belangrijker, de ‘anonieme internationale markten’ (lees: buitenlanders) hebben daar blijkbaar ook niet zo’n last van. Waarom is ‘eerlijke prijs’ altijd een synoniem voor ‘hogere prijs’? Dat is misschien aangenamer voor sommige producenten, maar of dat ‘eerlijker’ is? Het is in ieder geval oneerlijker om artificieel prijzen te verkopen ten aanzien van de (1) consument en (2) de producenten die wél overleven (en dus geen schaarse middelen verspillen) aan de huidige prijzen.

Heel de redenering van Jong Groen! doet me denken aan de belangrijke Candlemakers petition van Frederique Bastiat. Boe, buitenlandse concurrentie! En ondertussen de welvaart negeren voor de consumenten.

Overigens; hoe meer consumenten voedsel weggooien, hoe meer voedsel ze moeten kopen om dezelfde hoeveelheid te eten, hoe hoger de vraag is voor voedsel, hoe hoger het aanbod ‘moet’ zijn en hoe hoger de prijs kan zijn die boeren vragen. Dus eerder dan pleiten tégen ‘voedsel als wegwerpproduct’ zouden ze beter zeggen: ‘smijt maar goed veel voedsel weg, dat je meer van ons kan kopen’.

Wij verwachten van de Vlaamse en de Europese overheid dat ze de switch maken richting een duurzaam landbouwbeleid waarin naast productiviteit ook de leefbaarheid van onze boeren centraal staat. Dit kunnen we doen door de resterende boeren voorlopig hun inkomens te laten ondersteunen en op termijn door om te schakelen naar een duurzaam, zelfredzaam, landbouwmodel.

Buzzwords, buzzwords, buzzwords, … Wat ze in essentie bepleiten met ‘de resterende boeren voorlopig hun inkomens te laten ondersteunen’ is: we stoppen gewoon de veranderingen die er aan het gebeuren zijn. (Hoe conservatief kan je zijn?) Niemand is overigens tegen ‘duurzaam, zelfredzaam’; maar wat bedoelt het? De markt is ‘zelfredzaam’: wie niet welvaart creëert, verdwijnt, maar da’s niet zo erg. Duurzaam… is eventueel wat moeilijker, maar daarover kunnen we dan debatten houden over welke milieuwetgeving we willen. Daar heb ik (waarschijnlijk) ook meningsverschillen over met Jong Groen! maar (1) daarover heb ik lagere graad van zekerheid en (2) het is niet volledig nonsensicaal om voor bepaalde milieuwetgeving te zijn, in plaats van de economische ongeletterdheid uit dit pamflet.

1. Prijszetting voor landbouwproducten moet minder afhankelijk worden gemaakt van de zeer veranderlijke wereldmarkt prijzen. De productie van onze landbouw moet voornamelijk gericht zijn op de directe omgeving (+/- 300 kilometer). Competitiviteit van onze landbouwbedrijven moet dan ook gemeten worden a.d.h.v. deze omtrek. Onze boeren gaan nooit de strijd kunnen aangaan met boontjes in Kenia, en dat is ook niet wenselijk.

Zeggen ze nu dat boeren niet mogen exporteren verder dan 300 kilometer? (Waar komt dat getal vandaan? Zou het de conclusie zijn van een zorgvuldige studie over de nadelen van externaliteiten, om maar een voorbeeld te geven, of was dat een getal dat goed klonk?) Want ‘productie van onze landbouw (wiens landbouw?) moet voornamelijk gericht zijn op de directe omgeving’. Dat lijkt te impliceren dat ze strenge beperkingen op de export van boerderijen willen geven. (Heeft België boeren die internationaal exporteren? Ik weet de fruitteelt werd redelijk hard getroffen door het exportverbod naar Rusland. Zou de fruitteelt onder ‘boeren’ vallen? Want anders zijn die nog eens dubbel gekloot. Hebben we echt geen boerderijen die internationaal – ‘verder dan 300 km’ – exporteren? Anders hebben die echt wel een zwaar probleem in de wereld van Jong Groen!)

Ik snap ook niet goed wat ze bedoelen met ‘competitiviteit meten a.d.h. v. deze omtrek’. De enige manier die ik ken om ‘competitiviteit’ te meten is… in competitie gaan met anderen. Dus het enige wat ik hieruit kan afleiden is dat landbouwers buiten die omtrek niet meer met ‘de onzen’ mogen concurreren. Een terugkeer naar ‘lokale’ productie. Arbeidsdeling, specialisatie, comparatieve voordelen: opgehoepeld! We moeten enkel ‘lokaal’ produceren want dat is beter!

(Dit is, uiteraard, niet zo. Uiteraard ‘win’ je (op het vlak van milieu) met minder externaliteiten door minder transport, maar je ‘verliest’ door dat op sommige plekken je veel meer intensief moet gaan (pesticiden, energie voor serre’s, de opportuniteitskost van arbeid, etc.) op andere vlakken. Als je je zorgen maakt over het milieu: belast externaliteiten, maar laat aub daarbinnen dan de markt spelen. Je moet niet én de externaliteiten gaan belasten én dan nog eens, als je niet akkoord bent met de ‘uitkomst’, allerlei extra voordelen gaan bepleiten.)

Want waarom dan 300 KM? Waarom niet 2 kilometer? Waarom nog überhaupt iets van regionele arbeidsdeling hebben? Jong Groen! bepleit effectief een (niet insignificante) welvaartsreductie. We wéten vrij zeker dat ze verre van niet-significant is, vermits voedsel een vrije wereldse markt is – ze spreken zelfs over boeren uit Kenya. Hoeveel de prijsstijgingen voor de consument zal zijn, is niet te zeggen. Doch, het zal niet irrelevant zijn. (Ik kan geen getallen zetten op hoeveel; maar ik hoop dat duidelijk is waarom het niet irrelevant zal zijn.)

De vraag is: waarom zouden ‘onze’ boeren (altijd maar die ‘onze’; ik heb geen boeren) niet de concurrentie mogen aangaan met de boontjes uit Kenya? Is er iets mis met het feit dat Kenyaanse boeren hier geld zouden verdienen met boontjes te verkopen? (Indien zo: is Jong Groen! dan ook tegen het ‘fair trade’ label, dat doorgaans toch zaken verkoopt van… niet bepaald Westerse landen?) (Alweer: als ze zich maken over milieuverontreiniging… zie vorige opmerkingen daarover.) Het is wel wenselijk dat onze boeren de concurrentie aangaan met ‘boontjes uit Kenya’ want dan kunnen consumenten goedkopere bonen kopen; van wie die het goedkoopst aanbiedt. Wat is daar nu mis mee? Is het omdat het een Kenyaan is? Is het omdat het ‘ver’ is? Of is het gewoon misplaatst sentimentalisme voor die ‘onze’ boeren?

2. Landbouwproducten mogen niet langer onder de productieprijs verkocht worden.

Dit is gebaseerd op een verwarring van marginale en sunk cost, zoals hierboven uitgelegd. Om te benadrukken: het is niet omdat boerderij X die verkoopt onder een prijs die hen geen winst oplevert, dat dit ook zo is voor boerderij Y. (Bijvoorbeeld: de Kenyaanse boontjesboerderij.) Geen enkel bedrijf verkoopt onder marginale kost. Totale revenue onder totale kost is op lange termijn niet houdbaar, dus in zoverre dat dit een probleem is, is het een probleem dat zichzelf oplost: bedrijven die dat langdurig doen, gaan failliet.

Of zouden ze vooronderstellen dat alle bedrijven dezelfde productiekost hebben? Dat zou raar zijn, want ze spreken zelf over manieren (meer specialisatie, groter, etc.) om de productiekost te drukken, dus ze weten (ergens) dat je productiekost kan drukken. Maar goed; in zoverre dat ze dat denken: neen, niet alle bedrijven hebben dezelfde productiekost. En in een competitieve omgeving ‘overleven’ zij die de laagste productiekost hebben. En dat is positief. (Outputs en inputs verhaal van hierboven.)

  1.  Die ketens die consequent blijven producten aankopen onder de productieprijs moeten bestraft worden vanuit de overheid;

Het bovenstaande probleem wordt hier dus geproduceerd: ze doen alsof het eenvoudig is om de productiekost van een product te kennen. Het is, uiteraard, mogelijk voor een bedrijf om een soort van accounting gemiddelde te maken voor een bepaald goed.

Maar laten we vooronderstellen dat bedrijven toch iets of wat een realistische ‘productiekost per product’ kunnen voorleggen.  Wat het concrete effect zal zijn van deze regulering, is dat bedrijven die het al moeilijk hebben (daar zij ‘hogere productiekost’ hebben), het nog moeilijker gaan hebben, want ze gaan tout court  hun producten niet meer verkocht krijgen. Immers: supermarkten zullen dan bewijs vragen dat het ‘boven’ de productiekost is, en dit is makkelijker voor boerderijen die sowieso al goedkoper produceren dan zij die dat neit doen. In tegenstelling tot het ‘helpen’ van de boerderijen die het nu moeilijk hebben, is dit de final nail in the coffin. Goed werk, Jong Groen! Goed werk.

  1. Ketens gaan lopen met een oneerlijk aandeel van de winstmarge. Iedereen binnen de keten verdient een eerlijk loon. Een onafhankelijke waakhond moet toezien dat winstmarges voor retailers billijk zijn. De verhouding tussen winst voor de boeren en de winst voor de retailers moet nauwlettend in de gaten gehouden worden;
    (…)
    Een eerlijk loon voor onze boeren betekent echt niet perse dat de consumenten meer gaat moeten betalen. Grote supermarktketens strijken nu vaak een onredelijke winstmarge op. Door te komen tot een eerlijkere verdeling van deze winst tussen de boer en de retailer, kunnen we al zorgen voor een beter inkomen voor onze boer zonder te raken aan de prijzen van de consument.

Ook hier moeten we weer lachen. Jong Groen! pretendeert dat het eenvoudig is om de winsten te verdelen tussen supermarkten en boeren. Maar dat is niet hoe winsten werken. ‘Landbouwproducten’ zijn maar een deel van de totale omzet/winst van een supermarkt. Dat de-aggregeren is misschien boekhoudkundig mogelijk, maar betekent daarom niet dat het ook echt een correcte representatie is van wat er werkelijk aan de gang is. Een ‘bilijke’ winstmarge is ook moeilijk te meten. (Dit staat nog los van het probleem dat supermarkten helemaal niet zo’n hoge winsten hebben.) Immers: indien winsten beperkt zijn, verhoog je de incentive om winsten te verbergen of om meer kosten te maken. Dan heb je weliswaar ‘minder winsten’, maar als je ‘meer winsten’ maakt, dan worden die toch herverdeeld of ‘onbillijk’ bevonden en verlies je je ze. Dan kan je maar beter die winsten niet maken, en meer kosten maken: dat is dan geld dat je wel zelf aan jezelf kan spenderen.

Groen! maakt een basisfout – eentje die ik probeer constant aan mijn studenten uit te leggen – namelijk: het negeren van de veranderingen in incentives bij een regelverandering. Als je winsten reguleert, dan verlaag je de incentive om (monetaire) winsten te maken. De grootte van dit effect, hangt af van de strengheid van dit ‘extern controle orgaan’ en dergelijke, maar het effect is wrslk niet nul, als het echt het doel moet bereiken dat Jong Groen! er aan geeft. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe moeilijk het is om het doel te bereiken dat Jong Groen! hier beschrijft, zonder secundaire, negatieve effecten. Ik sta open voor bijkomende uitleg van Jong Groen! om te zeggen hoe dat zal gebeuren, maar er is een vrij grote consensus in economische wetenschap dat dit echt niet zo eenvoudig is.

Ik snap dat het makkelijk is om te schrijven ‘ah, oneerlijk aandeel in de winstmarge’ maar dat betekent niet dat dat ook een zinnig concept is. Wat is dat: ‘oneerlijk’ aandeel? Wat is er oneerlijk aan supermarkten die kopen van verschillende aanbieders en daar een zo laag mogelijke prijs proberen te krijgen om dan consumenten aan een zo laag mogelijke prijs te proberen door te verkopen? Of ‘onredelijke winstmarge’ (die vrij laag liggen bij supermarkten). Waar is de data? Waar is het bewijs?

Jong Groen! lijkt te denken dat het een kwestie is van: ‘ah, supermarket, jij betaalt gewoon iets meer, zonder je prijzen te verhogen en klaar is kees’. Maar om dat af te dwingen, is een heel ander paar mouwen.

Sommige boeren maken winst – niet per se allemaal in Vlaanderen, maar maakt het uit welke nationaliteit of huidskleur een boer heeft? De boeren dei dat niet doen… die moeten efficiënter worden of op een andere manier proberen aan een loon/inkomen te geraken.

Conclusie

Het pamflet is een ramp. Ik durf er geld op te zetten – eenvoudig 100 EUR – dat niemand die betrokken was bij het opstellen van dit document economie gestudeerd heeft. Het kan gewoonweg niet. Teveel essentiële basisfouten.
Normaal zou ik ook niet zoveel tijd spenderen aan zoiets nonsensicaal maar ach, het is oudjaar voor iedereen.